Ik heb een vriend die al drie jaar klaagt dat zijn kapper hem telkens weer een kapsel geeft dat het midden houdt tussen een mislukte cavia en een jonge bloemkool. “Hij kent me nu toch al lang genoeg?” zucht hij dan, terwijl hij verwoed probeert een weerborsteltje te temmen. Wanneer ik hem vraag wat hij dan precies tegen die kapper zegt, is het antwoord steevast: “Gewoon, hetzelfde als de vorige keer.”
Het is precies diezelfde tragikomische koppigheid waarmee de gemiddelde mens een Large Language Model benadert. We wandelen de digitale salon binnen, zetten ons neer en verwachten dat de machine onze diepste professionele verlangens en persoonlijke eigenaardigheden uit de ether plukt. En als het resultaat dan weer eens aanvoelt als een dertien-in-een-dozijn persbericht over een ‘synergetische oplossing’, rollen we met de ogen. “Zie je wel,” zeggen we dan, “die AI bakt er niks van.”
Tijd om het even over de Custom Instructions te hebben. De instellingen. De gebruiksaanwijzing van je eigen brein die je – uit pure luiheid of misplaatste privacyvrees – weigert in te vullen. ChatGPT heeft ze, Claude heeft ze, Gemini heeft ze. En bij de meeste gebruikers staan ze leeg, of zijn ze zo summier ingevuld dat de AI er nog steeds niets mee kan.
Werken met een AI zonder je instellingen te finetunen is als een blind date waarbij je de hele avond zwijgt en achteraf boos bent dat je date niet wist dat je een passie hebt voor postzegels uit de Weimarrepubliek en een dodelijke allergie voor koriander. Je kunt niet verwachten dat een algoritme weet dat je een bloedhekel hebt aan uitroeptekens, dat je een tekst altijd begint met een scherpe observatie in plaats van “In het huidige digitale landschap”, of dat je in de eerste plaats een mens bent van vlees, bloed en een licht ironische ondertoon.
Het is eigenlijk een vorm van digitale relatietherapie. Je moet de AI vertellen wie je bent. Niet “ik ben een manager bij een KMO”, want daar zijn er dertien van in een dozijn. Nee, je bent een manager die houdt van bondigheid, die graag metaforen uit de wielersport gebruikt en die allergisch is voor Engels jargon in een Nederlandstalige context. Dat is informatie waar een taalmodel mee aan de slag kan.
En ja, ik hoor het je al denken: “Wie heeft daar nu tijd voor? Moet ik nu ook nog eens gaan reflecteren over mijn eigen identiteit voor een chatbot?”
Het ironische is dat je die reflectie niet eens alleen hoeft te doen. Gebruik de AI om de instructies voor de AI te schrijven. Vraag de machine: “Stel mij tien kritische vragen die je helpen om mijn schrijfstijl, mijn professionele achtergrond en mijn specifieke verwachtingen beter te begrijpen.” Laat je interviewen. Het resultaat gooi je in je settings en plotseling praat die digitale assistent niet meer als een overijverige stagiair, maar als een verlengstuk van jezelf.
Natuurlijk is dat niet definitief. Een mens verandert. Vorig jaar vond je die hippe marketingtaal misschien nog wel grappig, vandaag krijg je er spontaan huiduitslag van. Een digitale identiteit heeft onderhoud nodig. Geen dagelijkse boenwasbeurt, dat zou obsessief zijn, maar eens per seizoen even checken of je digitale paspop nog de juiste maten heeft. Of er ondertussen wat extra nuance bij is gekomen. Of wat vet is weggehaald.
Je mag me gerust bellen als je vastloopt in die gesprekken met je eigen algoritme. Maar begin alvast met die ene simpele vraag: “Beste AI, wie denk je eigenlijk dat ik ben?”
De kans is groot dat het antwoord je niet aanstaat. En daar ligt precies de winst.